donderdag 5 januari 2023

I. Fabeln; 1. Der Löwe und die Maus

 Eine kleine Maus wagte es über einen schlafenden Löwen wegzulaufen; er erwachte und erhaschte sie.

    O schone meiner! bat 1) sie, denn welche Ehre könnte es wohl dem starken, tapfern Löwen bringen, wenn er ein so ohnmächtiges Geschöpf erwürgte? - Grossmüthig gab 2) er ihr die Freyheit wieder.

    Wenige Tage darauf gerieth 3) der Löwe in die Netze eines Jägers. So sehr er sich loszureissen bemühte, verwickelte er sich immer noch stärker. Sein Brüllen war 4) fürchterlich; alle die übrigen Thiere flohen 5); aber die Maus eilte herbey, sah 6) ihren Wohlthäter in Gefahr, machte sich sogleich an das Garn, zernagte die Knoten desselben, und befreyte in kurzer Zeit ihren edelmüthigen Erhalter.

1) bitten. 2) geben. 3) gerathen. 4) seyn. 5) fliehen. 6) sehen.  

dinsdag 3 januari 2023

Vorbericht zur dritten Auflage

Nach dem Wunsche der Verlagshandlung habe ich die Herausgabe der dritten Auflage dieses, durch Erfahrung zweckmässig befundenen, Werkchens übernommen, und mich beflissen, demselben, wo möglich, einen höhern Grad der Vollkommenheit zu geben. Zu diesem Ende wurden die, in den beyden vorigen Auflagen befindlichen, unedlen Ausdrücke, (*) die doch wohl am allerwenigsten in ein Elementar-Buch dieser Art gehören, durch andere ersetzt, überdies an vielen Orten Verbesserungen im Styl vorgenommen, zu sehr bekannte Stücke herausgehoben, und andere ( ) - alle von klassischen Schriftstellern - an deren Stelle gesetzt. Ausserdem wird man die Orthographie und Interpunction regelmässiger eingerichtet finden, als in den frühern Auflagen. Sonst ist in Plan und Unordnung des Ganzen nichts geändert.

    Vaassen, den 7. März 1823.

                                                                                                                              Der Herausgeber.


    (*) Man sehe z.B. Seite 11, 13. u. a. m.

    (  ) Dahin gehören:

                Die reinste Menschenliebe, S. 45.

                Scipio und Allucius, S. 73.

                Der Wilde, S. 121.

                Die seltsamen Menschen, S. 155.

                Lob der Thätigkeit, S. 157.

                An jeden unverdorbenen Jüngling, S. 161. 

Aus: G.F.B.W. Frederiks - Sammlung auserlesener Geschichten und Erzählungen (Zutphen, 1823).

Vorbericht zur zweyten Auflage

Obgleich die Erlernung der deutschen Sprache sich immer mehr in den Niederlanden verbreitet, so fehlte es dennoch an einem kleinen Werke, welches den Anfängern in dieser Sprache mit Nutzen in die Hände gegeben werden konnte. Um diesem Mangel abzuhelfen, unternahm es der Verleger, gegenwärtige Sammlung unterhaltender und lehrreicher Geschichten und Erzählungen herauszugeben. Mit der grössten Genauigkeit hat man den Stufengang vom Leichtern zum Schwerern beobachtet, und hinten einige Gedichte angehängt, um den jungen Lesern eine Probe von der deutschen Poesie zu geben. Am Ende jedes Aufsatzes, hat man den Infinitiv der unregelmässigen Zeitwörter, die in demselben vorkommen, angeführt, damit der Lernende sie, in dem als Anhang beygefügten Wörterbuche aufsuchen kann. Man hat sich der grössten Vollständigkeit beflissen, und die Bedeutungen der Wörter genau angegeben.

    Auf diese Weise schmeichelt sich der Verleger alles gethan zu haben, was dem Zwecke, den er vor Augen gehabt hat, entsprechen kann; und wünscht dieser zweyten Auflage, die ausser andern Vorzügen, auch den hat, dass sie mit ganz neuen deutschen Schriften gedruckt ist, eine eben so günstige Aufnahme als der ersten zu Theil geworden ist.

Aus: G.F.B.W. Frederiks - Sammlung auserlesener Geschichten und Erzählungen (Zutphen, 1823)

Een lesboek Duits uit 1823

Door het onvolprezen Marktplaats kwam ik voor een luttel bedrag in het bezit van een klein boekje uit 1823, het oudste dat ik ooit bezeten heb. De verkoper had ooit een doos vol onbekende boeken aangeschaft, waarin dit boekje zat. Het ruikt zeer oud, naar verweerd papier, stof en lijm.

De titel, Sammlung auserlesener Geschichten und Erzählungen zum Nutzen und Vergnügen derer, welche die deutsche Sprache erlernen wollen, geeft aan dat het om een lesboek Duits gaat (1e druk 1804). Een vroege uitgave van de Nederlandse uitgever Thieme (sinds 1795) in Zutphen. De prijs was 75 cent. De "Herausgeber" is, bij de 3e druk althans, G.F.B.W. Frederiks. Over hem is op internet het volgende te vinden:

In 1821 verscheen Handbuch der deutschen Sprache, enthaltend: Auszüge aus den prosaischen Schriftstellern und Dichtern der Deutschen: ein nützlicher und angenehmer Beytrag zur Erlernung dieser Sprache. Deze uitgave werd samengesteld door G.W. Lehman en na diens dood verzorgd door Frederiks. Verder blijkt uit een genealogisch document (uit 1829) dat hij, als het tenminste om dezelfde G.F.B.W. Frederiks gaat, geboren is in 1789 in IJstad (= Ystad, Zweden) en "commissaal" is, dus bij iemand inwoont. Bij bestudering van het document lijken geboorteplaats en beroep correct, het geboortejaar staat echter niet vermeld. Wel de godsdienstige gezindheid (gereformeerd). Verder is genoteerd van waar Frederiks is aangekomen (moeilijk leesbaar, vermoedelijk Kleef) en "Werwaar vertrokken" (vermoedelijk Deventer).

In de Boekzaal der geleerde wereld: een tijdschrift voor de Protestantsche kerken in het koningrijk der Nederlanden, verschijnt in 1835 een positieve minibespreking van de Sammlung auserlesener Geschichten und Erzählungen.

Na wat dieper graven op het internet vinden we G.F.B.W. Frederiks ook terug in het proefschrift English in the Netherlands. A history of foreign language teaching 1800-1920 (Radboud Universiteit Nijmegen, 2005) van F.A. Wilhelm. Hij blijkt van 1837 tot 1840 docent geweest te zijn aan het Deventer Athenaeum, maar werd nooit "lecturer" (onduidelijk is wat hiermee in dit verband wordt bedoeld). In het proefschrift wordt ook geopperd dat Frederiks van Duitse komaf zou zijn en eigenlijk "Frerichs" zou heten. In de genoemde bron, het Nieuw Nederlandsch Biografisch Woordenboek, heb ik hier echter geen aanwijzingen voor kunnen vinden.

Als je zoekt op het Deventer Athenaeum vinden we eindelijk wat duidelijker biografische informatie: G.F.B.W. staat voor Georg Friedrich Bogislaw Wilhelm, overleden in 1839. Naamsvariant: Fredriks. Bron: J.C. van Slee, De Illustre School te Deventer 1630-1878 (uitgegeven in 1916). Voorlopig moeten we het daarmee doen.




zondag 31 januari 2021

Bij het vervangen van een boek

De essaybundel "De Tijd, de grote beeldhouwer" van Marguerite Yourcenar, verschenen in de Libra-reeks, een samenwerking van uitgeverijen Ambo en Athenaeum-Polak & Van Gennep, is door mij nogal intensief gelezen en wordt om esthetische redenen binnenkort vervangen door een fraaier exemplaar. Enkele passages die indruk op mij maakten en ik heb onderstreept noteer ik hier om ze bij gelegenheid terug te kunnen lezen:

Uit De sixtijnse kapel:

"Want het geheugen van de mensen is net als die vermoeide reizigers, die zich bij elke halte van wat overtollige bagage ontdoen. Zodat zij met lege handen en naakt aankomen op de plaats waar zij moeten slapen, en op de dag van het grote ontwaken zullen zijn als kinderen die niets van gisteren weten."

"Onvolmaakte wezens roeren zich, en vormen paren om elkaar aan te vullen, maar puur schone dingen zijn eenzaam als de smart van de mens."

"Je gaat dus weg. Ik ben niet jong genoeg meer om een scheiding belangrijk te achten, ook al is zij definitief. Ik weet te goed dat de wezens die wij beminnen en die ons het meest beminnen, ons ieder voorbijgaand moment ongemerkt verlaten. En op die wijze scheiden zij van zichzelf. Je zit op die grenssteen en je denkt dat je er nog bent, maar je wezen, op de toekomst gericht, hecht al niet meer aan wat je leven geweest is: je afwezigheid is al begonnen. Zeker, ik begrijp dat het allemaal maar illusie is net als de rest, en dat er geen toekomst bestaat. De mensen, die de tijd uitvonden, hebben vervolgens de eeuwigheid uitgevonden als contrast, maar de tijd ontkennen is even zinloos als hijzelf. Er is verleden noch toekomst, alleen een reeks achtereenvolgende 'hedens', een telkens opgebroken en weer doorgetrokken weg, waarop wij allen voortgaan. Je zit, Gherardo, maar vóór je treden je voeten de grond met een soort onrust, alsof ze een weg verkennen. Je hebt de kleren aan van onze tijd, die afschuwelijk of simpelweg raar zullen staan wanneer onze tijd voorbij is, want kleding is nooit anders dan de karikatuur van het lichaam. Ik zie je naakt. Ik heb de gave door de kleding heen de uitstraling van het lichaam te zien, en op die manier, denk ik, zien de heiligen de ziel. Het is een kwelling wanneer ze lelijk zijn; wanneer ze mooi zijn, is het een andere kwelling. Jij bent mooi, je bezit die broze schoonheid die aan alle kanten belegerd wordt door het leven en de tijd, en die zullen je haar tenslotte afnemen, maar op dit moment is ze van jou, en van jou zal ze blijven op het gewelf van de kerk waar ik je beeltenis heb geschilderd. Zelfs indien ééns je spiegel je alleen nog maar een vertekend portret zou laten zien, waarin je je niet zou durven herkennen, zal er altijd ergens een onbeweeglijke afspiegeling zijn die op je lijkt. En op dezelfde manier zal ik je ziel onbeweeglijk maken."

"Alleen de vrienden die we hebben verlaten, bezitten we voor immer."

"Iemand liefhebben is niet alleen erop staan dat hij leeft, het is ook zich verwonderen dat hij niet meer leeft, alsof sterven niet natuurlijk is."

Uit Spiegelbeelden en dwaallichten:

"Ik liep niet over van sympathie voor die gekroonde amazone die om in vorm te blijven elke ochtend een glas warm bloed uit het abattoir dronk [...]". (over Elisabeth van Oostenrijk)

Uit Over een paar erotische en mystieke thema's van de Gitagovinda:

"[...] de verheven Heer, die de Bhagavad Gita de meest geduchte gedachte van het hindoeïsme laat uitspreken: de onverschilligheid van het onvergankelijk Zijn jegens het voorbijgaande euvel van geboorte en dood; de overeenstemming van schepping en vernietiging; de nietigheid van het zwakke goed en het zwakke kwaad dat door de mens wordt afgebakend, tegenover het verschrikkelijke leven dat alle vormen overspoelt."

Uit Ter nagedachtenis:

"Geloof in de doelmatigheid van de dood van wat je wílt, om te delen in de triomf van wat moet zijn."



zondag 2 februari 2014

"Gelebt und geliebet. Es war da, auch ich hatte es."

Thomas Mann bezocht in 1954 met zijn vrouw Katia en zijn dochter Erika de stad Düsseldorf om voor te lezen uit zijn laatste werk. In de roman Königsallee (2013) van Hans Pleschinski verzoent de 79-jarige schrijver zich tijdens dit bezoek met een oude vriend en ziet hij de man terug, op wie hij ruim 25 jaar eerder op het strand van Sylt dodelijk verliefd werd.

Thomas Mann was 50 jaar getrouwd met Katia Pringsheim en vader van zes kinderen. Zijn hartstocht gold echter vooral jonge mannen. De meest “prägende” ervaring op homo-erotisch gebied was de ontmoeting met Klaus Heuser op Sylt. Vijftien jaar later schreef hij hierover in zijn dagboek: “Nun ja – gelebt und geliebet. Schwarze Augen, die Tränen vergossen für mich, geliebte Lippen, die ich küßte, - es war da, auch ich hatte es, ich werde es mir sagen können, wenn ich sterbe.“ (1) Hoewel Thomas Mann Klaus Heuser maar drie keer heeft ontmoet (in 1927, 1935 en 1954), behoort de verliefdheid op deze jongeman tot de “Kernerlebnisse” in zijn leven.

Dat Thomas Mann en Klaus Heuser op hetzelfde moment in hetzelfde hotel verblijven is onwaarschijnlijk, omdat het romanpersonage Klaus Heuser Duitsland voor het eerst in jaren bezoekt en niet op de hoogte was van het bezoek van Mann aan Düsseldorf. Ook is het onwaarschijnlijk dat Klaus en zijn Indonesische vriend Anwar vrijwel direct na aankomst eerst bezoek krijgen van Erika Mann, die doet alsof ze Klaus gisteren nog heeft gezien en een lange monoloog afsteekt waarin ze hem bezweert een ontmoeting met haar vader uit de weg te gaan, en vervolgens van de letterkundige Ernst Bertram, die de hotelkamer is binnengeslopen en Klaus op zijn knieën smeekt een ontmoeting met de oude schrijver te arrangeren.

Dichterlijke vrijheden zijn in een roman geoorloofd. Hans Pleschinski schept echter verwarring door historische personages ofwel realistisch (Thomas, Katia en Erika Mann) ofwel sterk uitvergroot (Ernst Bertram, Golo Mann) te karakteriseren, te vermengen met fictieve personages (b.v. de literatuurcritica en roodharige dwerg Gudrun Kückebein) en zich hierbij niet van één consequent doorgevoerde stijl te bedienen. Daarnaast maken de dialogen soms een gekunstelde, onnatuurlijke, uitleggerige indruk. Bij vlagen echter, als alles klopt, zijn er in Königsallee ook meesterlijke passages te lezen, zoals bij het interview met Thomas en Katia Mann door Gudrun Kückebein.

Ernst Bertram, peetoom van Thomas Manns jongste kind Elisabeth, komt er in Königsallee bepaald niet goed af. Bertram schreef in 1933 een enthousiast gedicht ter opluistering van de boekverbrandingen en werd na de oorlog uit zijn ambt als hoogleraar gezet, maar in 1950 gerehabiliteerd. Hans Pleschinski maakt van hem een aan lager wal geraakt en meelijwekkend figuur. Thomas Mann schreef over zijn weerzien met Bertram in 1954 echter: “Freundlicher Aufenthalt in seiner sinnig-schönen Wohnung, voller persönlicher und künstlerischer Andenken. Sein Gesicht gealterte Vergangenheit. Seine gesprächige, sympathisch-altmodische Art unverändert. Herzliches Verhältnis, herzliche Verabschiedung.“ (2) Thomas Mann was geen politiek denkende man. Politiek stond niet tussen hem en zijn oude vriend in. Pleschinski is, zo blijkt uit de manier waarop hij Ernst Bertram portretteert, een stuk minder vergevingsgezind.

De apotheose van het boek wordt gevormd door een nachtelijke wandeling die Thomas Mann en Klaus Heuser maken door de orangerie van Schloss Benrath. Al wandelend door de tuinen is er geen bitterheid over ouderdom, verval of gemis, maar overheerst genegenheid over en weer; voor de schrijver die Klaus Heuser literair vereeuwigde als de jonge Joseph in Joseph und seine Brüder en voor de man, die voor Thomas Mann de “Sprung ins Traumhafte” (3) belichaamde.

(1) Geciteerd naar Hermann Kurzke: Thomas Mann. Das Leben als Kunstwerk. Eine Biographie. München 1999. Blz. 383.

(2) Idem. Blz. 541.

(3) Idem. Blz. 541.

donderdag 2 januari 2014

De weg naar Egypte (1)

de wond was diep veel
dieper dan ik dacht
dieper dan nodig was

zijn ogen hield hij dicht
toen ik het mes liet
gloeien in de vlam

zijn handen werden klam
zijn mond werd smaller
toen ik bij hem kwam

toen het voorbij was riep
hij tot het roepen hem
adem en stem benam

het wordt al licht ik
houd nog steeds de wacht
ik heb mijn opdracht toen

hij sliep pas goed gelezen
de wond zal niet genezen
ik ben hem toegewezen

alleen voor deze nacht

- Gertrude Starink, uit: De weg naar Egypte. Twintig passages 1970-1977 (1980)

woensdag 4 december 2013

Voor de balletmeester

Alles is pas aangevangen.
Ongemeten zijn de kansen:
Orpheus liet de stenen dansen.

Ida Gerhardt, uit: De adelaarsvarens, 1988

zondag 29 september 2013

Niet geschikt voor gevoelige lezers

Na lezing van Die Ausgesperrten (1980) van Elfriede Jelinek vraag je je af of er geen sticker opgeplakt zou moeten worden: "Niet geschikt voor gevoelige lezers". Het begint al op de eerste bladzijde met het in elkaar slaan van een man door de vier jeugdige hoofdpersonen: "Es gehört besonders viel Mut dazu, einem Menschen, der einem von vorn ansieht [...] das Gesicht zu zerkratzen, bzw. es auf seine Augäpfel abzusehn."

De hoofdpersonen: Rainer Maria Witkowski en zijn tweelingzus Anna, Sophie Pachhofen en Hans Sepp. Rainer probeert met intellectuele praatjes indruk te maken op het rijkeluismeisje Sophie. Die is meer gecharmeerd van de primitieve kracht van electromonteur Hans. Anna wordt gedreven door een blinde haat en woede op alles en iedereen en zegt geen boe of bah. Zij functioneert eigenlijk alleen goed als ze piano speelt. De vader van Rainer en Anna is een invalide voormalige SS-officier die zijn vrouw mishandeld en pornografische afbeeldingen van haar maakt. De moeder van Hans is een gedesillusioneerde socialiste, wier man is vermoord door de nazi's. Tot zover de weinig opbeurende personenconstellatie.

Sophie en Hans gaan een stralende toekomst tegemoet op de golven van het Wirtschaftswunder. Sophie, omdat ze uit een goede familie komt en Hans, omdat hij een "Tatmensch" is. Rainer en Anna zijn echter afkomstig uit een gezin waar de rot goed inzit en zijn hier al danig door aangetast. Rainer heeft dit maar al te goed door en probeert zich door een nietsontziend nihilisme te verbijzonderen. "Hoogtepunt" van dit nihilisme is het in elkaar slaan van willekeurige voorbijgangers. De titel Die Ausgesperrten slaat vermoedelijk op de leden van het gezin Witkowski.

Elfriede Jelinek is in de beschrijving van haar meeste personages zoals gewoonlijk genadeloos, maar dat geldt in deze roman in het bijzonder voor het portret dat ze van de vader van Rainer en Anna schetst. De grofste passage, waarin de spot gedreven wordt met zijn invaliditeit en een verklaring gegeven wordt voor zijn impotentie, heeft ze voor hem bewaard:

"Der Exoffizier geht, einem jähen Entschluß folgend (was man als Offizier können muß: Entschlußfreudigkeit!), in die Küche, um seine Frau zu vergewaltigen, worauf er plötzlich Lust hat, aber als die Kuh wie immer eine ungeschickte Bewegung macht, rutscht er auf den Fliesen aus und kracht zu Boden. Dort schnellt er sich hin und her und macht mit dem verbliebenen Bein Wippbewegungen. Er kommt aber nicht hoch, so sehr er es auch möchte. Aber sonst kriegt er kaum mehr einen hoch, diesmal hätte er ihn sicher zum Stehen gebracht, weil er solche Lust hat. Jetzt ist es wieder Essig damit. Er glaubt, es liegt daran, daß die starken Reize, die ihn als jungen Mann in den besetzten Ostgebieten überfluteten, in den letzten Jahren nur sehr abgeschwächt stattfinden. Wer einmal Leichenberge aus nackten Personen, auch Frauen, besichtigte, den reizt die heimische Hausfrau nur noch wenig."

Zulk proza moet ontstaan zijn vanuit een enorme woede vanwege de misdaden die door de nazi's in Oost-Europa gepleegd zijn. Men wilde dit na de oorlog in Duitsland en Oostenrijk zo snel mogelijk vergeten, maar Elfriede Jelinek duwt haar landgenoten het liefst zo diep mogelijk met hun gezicht in de stront van het verleden, geserveerd met een sausje van voor de jaren '50 kenmerkende amusementskitsch. Dat is misschien niet terecht, maar wel begrijpelijk.

De oude stempel

Eén van de wonderlijkste romans die de afgelopen jaren in Duitsland verscheen, is Der Hals der Giraffe (2011) van Judith Schalansky. De hoofdpersoon, Inge Lohmark, is zo overtuigend en met zoveel inlevingsvermogen beschreven, dat ze weleens zou kunnen uitgroeien tot een klassieke figuur in de Duitse literatuur.

De ondertitel “Bildungsroman”, waarmee Schalansky refereert aan een literair genre dat met name rond 1800 populair was, is misleidend: Der Hals der Giraffe is geen roman waarin de hoofdpersoon volgens het “Bildungsideal” gevormd wordt, maar een roman over de dagelijkse onderwijspraktijk op een met sluiting bedreigde school in een Oost-Duits dorp, beschreven vanuit het perspectief van een lerares van de oude stempel. De dubbelzinnigheid van de ondertitel is onvertaalbaar en is daarom in de Nederlandse vertaling weggelaten.
In de eerste zin van het boek wordt direct de toon gezet. ‘“Setzen”, sagte Inge Lohmark, und die Klasse setzte sich.‘ Frau Lohmark gelooft in orde en tucht en ontleent haar pedagogische visie aan haar vakgebied, de biologie. Ze beschouwt haar leerlingen als groepsdieren die zich volgens een vast en voorspelbaar patroon gedragen en die qua leeftijd eigenlijk ongeschikt zijn om een groot deel van de dag in een klaslokaal door te brengen. Discipline moet afgedwongen worden. De leerlingen die niet mee kunnen komen moeten zo snel mogelijk “geselecteerd” worden, zodat de voortgang van de anderen niet belemmerd wordt.
In het boek is een klassenplattegrond afgedrukt, met een karakterisering van de verschillende leerlingen door de docente. Over de uiteraard vooraan in de klas zittende “Klassenprimus” staat genoteerd: ‘Brauner Zopf, langweiliges Gesicht. Überambitioniert. Freudlos und bienenfleißig. Vortragsgeil. Klassensprecherin seit der Geburt. Anstrengend.‘ Van enige sympathie of mededogen is geen sprake. De cynische manier waarop Judith Schalansky haar hoofdpersoon menselijk gedrag laat ontleden doet denken aan het vroege werk van Elfriede Jelinek (b.v. Die Liebhaberinnen uit 1975).
Een voor veel leraren in het middelbaar onderwijs herkenbare passage is die waarin Inge Lohmark bezoek krijgt van een hospitant, die in zijn verslag schrijft dat ze te frontaal lesgeeft en dat haar lessen ‘wirklichkeitsnäher’ moeten zijn (in de Nederlandse context zou hiervoor de term ‘betekenisvol’ gebruikt worden). De weergegeven gedachtes naar aanleiding van dit lesbezoek zijn niet alleen bijzonder grappig (‘Erst das Tieretöten verbieten und dann mehr Wirklichkeitsnähe fordern!’), maar maken ook duidelijk dat Inge Lohmark niet zomaar wat doet.
Wat Inge Lohmark in de vele jaren voor de klas niet is kwijtgeraakt, is de liefde voor haar vak. Dit blijkt onder andere uit de reproducties van oude tekeningen van kwallen die ze met zorg heeft laten inlijsten en in de gang heeft opgehangen. Het verschil met haar jongere collega Karola Schwanneke wordt pijnlijk duidelijk, als deze naast de kwallen een doodgewone poster van Monets waterlelies ophangt. Ze vindt het echter zinloos om hierover een discussie aan te gaan met iemand die elke zin voor “das wahrhaft Schöne, für wirkliche Größe” ontbeert. Wat de aversie nog versterkt is dat “die Schwanneke” zich door haar leerlingen bij haar voornaam laat noemen.
Een sleutelscène in het boek is, als Inge Lohmark een leerling impulsief een lift geeft. Ze heeft direct spijt van dit moment van zwakte, omdat ze het gebrek aan distantie niet kan verdragen. Ze probeert desalniettemin toenadering te zoeken door een gesprek te beginnen over wat er buiten aan natuur te zien is (veilig terrein), maar bij het uitblijven van enige reactie wil de lerares haar leerling het liefst aan een boom vastbinden en dwingen te kijken en te zien en iets terug te zeggen.
Judith Schalansky heeft in Der Hals der Giraffe het psychogram van een verstarde docente getekend, die hart heeft voor haar vak, maar die tot een natuurlijk contact met haar leerlingen niet meer in staat is. Aan de degelijkheid waar Inge Lohmark voor staat, lijkt in de moderne tijd geen behoefte meer te zijn. En toch, de sympathie van de lezer (en van de schrijfster) ligt uiteindelijk bij de weerbarstige lerares, die, tegen de heersende mode in, niet capituleert.  

zaterdag 1 juni 2013

De wereld volgens W.F. Hermans (2)

Age Bijkaart had het al vroeg door:

"Ik kan de kwaadaardige gedachte niet uit mijn hoofd zetten dat degenen die het Frans moeten onderwijzen, het onderwijs in die taal voortdurend hebben vereenvoudigd, omdat het anders ook hun eigen krachten te boven zou gaan.
In mijn jeugd hoefde je alleen van het Frans in het Nederlands te vertalen - waarschijnlijk omdat de leraar zelf ook niet kon vertalen van het Nederlands in het Frans.
Op het ogenblik schijn je al door je eindexamen te komen, als je niet eens meer kunt vertalen: je hoeft alleen maar te raden wat er in een of ander onnozel stukje staat dat de examinatoren uit een Franse krant hebben geknipt. Voor het mavo-eindexamen was die krant dit jaar l'Aurore - een krant zó rechts, zó slecht en zó vulgair, dat er in Nederland geen enkele krant is die ermee vergeleken kan worden. Alsof het de Franse journalistiek was (en dan vooral die van l'Aurore!) die het de moeite waard maakte Frans te leren - en niet de Franse literatuur!

Kortom, het onderwijs in het Frans (om me daartoe maar te bepalen, het zal ook wel voor andere vakken gelden) wordt in toenemende mate een krasse vorm van consumentenbedrog.
Gelijke kansen voor iedereen? Iedereen naar de middelbare school, de universiteit?
Op zichzelf een goed denkbeeld.
Maar waarom zich in te spannen dat iedereen gelijke kansen krijgt, wanneer die gelijke kansen voor iedereen, nergens anders op uitdraaien dan de kans dat iedereen helemaal niets leert?"

Uit: Willem Frederik Hermans, Boze brieven van Bijkaart (De Bezige Bij, 1977).

maandag 13 mei 2013

200 jaar Kierkegaard (2)

At vove er at miste fodfæste et kort øjeblik - ikke at vove er at miste livet.

200 jaar Kierkegaard

Gerrit Glas

'Het zelf is een verhouding die zich tot zichzelf verhoudt en in dit zich tot zichzelf verhouden, verhoudt het zich tot iets buiten zichzelf.'

Søren Kierkegaard (1813-1855)


"Wat is een mens? Er zijn veel pogingen gedaan die vraag te beantwoorden, over het algemeen zonder veel succes. Wie Kierkegaards definitie volgt, snapt ook waarom die pogingen mislukten. Het 'zelf' is een onterechte verzelfstandiging. Het wezenlijke van de mens ligt niet in de aanwezigheid van een bepaalde eigenschap, maar daarin dat hij zich tot zichzelf verhoudt. En dat ik mij tot mijzelf kan verhouden wordt mogelijk gemaakt en gedragen door de verhouding tot de ander. Het mooie van zijn definitie is dat die open staat voor wat buiten mijzelf ligt. In onze tijd en cultuur lijkt die openheid te verdwijnen. Het 'zelf' is tot zelfstandige categorie uitgeroepen. Zelfverwerkelijking en zelfbeschikking zijn doel in zichzelf geworden. De wezenlijke verhouding tot de ander blijft uit beeld.
Onverbondenheid is een sleutelbegrip van deze tijd. Waar Kierkegaard de fundamentele openheid van het 'zelf' juist in stand houdt en erop wijst dat we aan onszelf niet genoeg hebben, geloven we nu dat wij alles wél 'zelf' in de hand hebben en dat alles alleen maar draait om beheersing en genot. Onze tijd is zelfgenoegzaam en narcistisch. Media suggereren dat het er niet toe doet wie je bent, maar hoe je overkomt. 'Ik ben toch wel een enorme sukkel als ik het niet red', zeggen ze dan als ze het in deze arena tegen anderen afleggen. Ze denken dat ze het allemaal zelf moeten doen. Het is natuurlijk krenkend om te ervaren dat je een ander nodig hebt, niet alleen als middel voor te bereiken doelen, maar om te kunnen bestaan. Toch lijkt mij dat een belangrijk besef.
Misschien is het een gevolg van de secularisatie dat wij de vanzelfsprekende binding met datgene buiten onszelf kwijt zijn. Wat je ziet, is een soort onvermogen om elkaar nog te bereiken. Veel mensen lijden eronder dat zij op een dieper niveau geen contact meer hebben met anderen. Niet alle psychiatrische problemen zijn levensproblemen, maar op de achtergrond spelen die wel vaak mee.
Ik denk niet dat er gemakkelijke antwoorden zijn, maar de eerste stap bestaat er wel uit dat je je bewust wordt van je eigen ellende. De essentie van het christelijk geloof is dat je die leegte of die ellende zelf niet kunt oplossen en dat je je desondanks aanvaard weet, door anderen en uiteindelijk door God. De christelijke traditie waar Kierkegaard zich bij aansluit, leert vanaf Augustinus dat we het niet aan onszelf te danken hebben dat ons tekort door God ongedaan wordt gemaakt. Dat heeft met liefde te maken, denk ik. Liefde is zichzelf wegschenken, niet iets doen waar je zelf beter van wordt, maar je bestaan aan een ander geven."
Yoram Stein

Uit: Trouw, 25-11-2002.

donderdag 2 mei 2013

"Kannten Sie den Toten?"

Vergangenes

»Kannten Sie den Toten?«

Horst Tapperts größte Rolle war der Totenkopf. Dieser Totenkopf hieß Derrick und war Kriminalkommissar in der gleichnamigen Fernsehserie, deren erste Folge Waldweg am 20. Oktober 1974 im ZDF gezeigt wurde. Derrick, so befand der 1923 geborene Schauspieler einmal, sollte »etwas von der absoluten Männlichkeit, von der Melancholie, der Verschlossenheit und dem Zynismus eines Humphrey Bogart haben«. Nun war Derrick kaum so lässig wie Bogarts Philip Marlowe, allein die Tränensäcke weisen ihn als schweren Melancholiker aus. Sein Verzicht auf Mimik erweckte den Eindruck innerer Abgestorbenheit. Wie vom Sterbebett aus besah Derrick die Fälle, die er lösen musste. Und wenn er die für ihn typische Frage »Kannten Sie den Toten?« stellte, dann schien ihn Wehmut zu befallen: Es war, als erkundige sich hier einer nach seinesgleichen. Gelegentlich ist das Waschbecken in der gekachelten Ecke seines Büros Nr. 316 im dritten Stock der Münchner Mordkommission zu sehen, vor dem sich Derrick nach durchwachten Nächten rasiert. Sonst sprießt nichts. Einzig der juvenile Partner Harry Klein (Fritz Wepper) ergänzt die Junggesellenmaschine mit seiner Ansprache: »Du, Stephan ...« – was nicht zwangsläufig eine Gesprächseröffnung war. Aus Schweigen entsteht auch Nähe: Derrick zeigt den Männerbund in kleinstmöglicher Ausführung. Derrick lief bis 1998 in über 100 Ländern und machte Tappert zur Verkörperung des Deutschen in aller Welt. Von Herbert Reinecker, dem ersten Drehbuchautor der Serie, wusste man, dass er bei einer Propagandakompanie der Waffen-SS in Russland war und im April 1945 den allerletzten Leitartikel für die SS-Zeitung Das schwarze Korps geschrieben hatte. Seit letzter Woche wissen wir, dass auch der 2008 verstorbene Tappert der Waffen-SS angehörte: im Einsatz 1943 in Russland beim SS-Panzergrenadierregiment 1 »Totenkopf«.

RONALD DÜKER

In: Die Zeit, 2. Mai 2013


zondag 20 januari 2013

Onderhuids

‘Maar, dit boek is geen verhaal, er gebeurt niets.’ (Hielke Vriesendorp, Socialiter nr. 27, oktober 2012). Geprikkeld door deze stellingname heb ik Werther Nieland na zeventien jaar weer eens gelezen om te zien of wat Hielke beweert klopt.

Het thema van Werther Nieland is naar mijn idee, net als in De avonden, een onbestemd verlangen dat zich uit in een enorme verveling. De verveling wordt in de eerste alinea op fraaie wijze impliciet verwoord: ‘Op een woensdagmiddag in December, toen het donker weer was, probeerde ik een gootpijp aan de achterzijde van het huis los te wrikken; het lukte echter niet. Ik verbrijzelde toen met een hamer enige dunne takken van de ribesboom op een paaltje van de tuinheining. Het bleef donker weer.’
Het verlangen van de hoofdpersoon, Elmer, richt zich op zijn vriendjes Werther, Dirk en Maarten. Elmer wil verwantschap met hen voelen en contact met hen maken. Hij probeert dit te bereiken door gezamenlijk clubs op te richten, waarvan hijzelf de leider is. Elmer wil volledige controle uitoefenen over het gedrag van de leden. Als dit niet lukt, valt hij ten prooi aan een gevoel van somberte en aan sadistische gevoelens, die hij uitleeft op dieren en planten (‘plantenmartelingen’), waarover hij wel macht kan hebben. De terminologie die de ongeveer tienjarige Elmer bezigt, doet denken aan vooroorlogse communistische jeugdorganisaties (‘de vijand’, ‘de spion’, ‘papieren leden’), een verband waar Gerard Reve in zijn roman Oud en eenzaam uitvoerig op is ingegaan.
Reve beschrijft fraai hoe onmachtig Elmer is om inhoud te geven aan zijn clubs en om de schaarse leden aan zich te binden, bijvoorbeeld in de volgende passage: ‘Aan een tafeltje in de bovengang ging ik een programma opschrijven, dat als volgt luidde: “1. Opening door de voorzitter. 2. De voorzitter groet de aanwezigen en legt het doel van de samenkomst uit.” Hierna wist ik niets meer te bedenken.’ Eenmaal vraagt hij in wanhoop zijn oudere broer om op een feestmiddag van de club (‘er [viel] een stilte, die geen einde scheen te willen nemen’) mandoline te spelen. Deze weigert dit echter.
Een belangrijke rol is weggelegd voor de seksualiteit. De moeder van Werther doet zich op een geforceerde manier jeugdig voor en probeert op die manier contact te maken met haar zoon en diens vriendje. Ze is daarbij seksueel nogal vrijpostig: ‘Werther ging [...] voort met mosselen op te prikken en op te eten. “Hun slurfjes zijn het lekkerst,” zei hij en hield een mossel met een bleek, sliertig aanhangseltje omhoog. “Die eet ik het laatst op.” “Is zijn slurfje het lekkerst?” vroeg zijn moeder, die bij de keukendeur was blijven staan. “En eet jij dat op? Wat gemeen. Hoe zou jij het vinden als ik van jou het lekkerste opat?” Ze glimlachte en snoof.’
De incestueuze vrijpostigheid van Werthers moeder gaat gepaard met geestelijke instabiliteit. Aan het eind van het verhaal wordt ze door verplegers naar een wit busje geleid. Elmer is in tegenstelling tot Werthers moeder in het geheel niet vrijpostig. Hij is iemand die anderen, met name zijn vriendje Werther Nieland, begluurt. Hij wil achter het geheim van Werther zien te komen. Dit speuren naar een geheim is vermoedelijk de nieuwsgierigheid naar het verborgen wezen van de ander. Tot echt geestelijk, emotioneel of seksueel contact is Elmer echter niet in staat.
En inderdaad, zoals Hielke Vriesendorp in zijn recensie opmerkt, de stijl van de verteller is erg bijzonder en knap. De schrijver kruipt in de mythische belevingswereld van een kind en weet in de dialogen het taalgebruik en de soms onlogische redeneringen van kinderen raak te treffen, iets dat hij gemeen heeft met hedendaagse schrijvers als Erwin Mortier en Bart Moeyaert.
Werther Nieland is dus voor wie, om met Reve te spreken, niet geheel ‘symboolblind’ is, een verhaal waarin onderhuids bijzonder veel gebeurt.
(Gepubliceerd in Socialiter, nr. 28, februari 2013)

zondag 15 juli 2012

Het verlangen zelf


Over het verlangen naar een sigaret

Ken je het verlangen naar een sigaret,
naar die gelukkige tijd dat je nog rookte?

Niemand begrijpt dit verlangen behalve ik.

Ik herinner mij iemand die altijd
als ik iets zei dat ze niet begreep
antwoordde: op zich is dit heel intrigerend.

En ik herinner mij ook dat ik dan
die uitspraak een aantal malen
in mijn hoofd moest herhalen:
op zich is dit heel intrigerend
totdat de betekenis verdampt was.

God kan ondoorgrondelijke dingen met ons doen
dankzij het feit dat hij niet bestaat

en zo kunnen ook ondoorgrondelijke dingen
worden beweerd dankzij het feit
dat ze nergens over gaan.

Sinds ik dit bedacht begrijp ik veel meer.

Het verlangen naar een sigaret is
het verlangen zelf.

Uit: Rutger Kopland - Het verlangen naar een sigaret (2001)

dinsdag 29 mei 2012

Portret

Een stoere Urkerknul, vaak met negotie
- schol, bot of poon - met vader aan de dijk.
Zijn ouders zijn een zon op de promotie:
met karpoetsmuts en vlammend jak te prijk.


Zijn beurt baart altijd enige emotie.
Want, naast een stukkezak van beddetijk,
voert hij een ruig schrift, waar - zwàrt van devotie -
wendingen in staan, die ìk nooit bereik.


Soms kan hij Plato als een lier vertalen,
om dan - dat blijft in toga zo! - kalm-an
zijn neus met ratelslagen op te halen.


Ik las de Phaedros: het gevleugeld span.
Stil wees hij bij. Zéér groot, zéér recht. Een man
die verten ziet: idee en idealen.


Uit: Ida Gerhardt - Sonnetten van een leraar, 1951


(Gesprek met I.)



zaterdag 24 maart 2012

Lieve Pieter - Pieter Kottman weet raad

Mijn dochter ging met haar school op een uitwisselingsreis naar Italië. Daarvoor moest zij een dagboek bijhouden. Zij wilde haar aantekeningen op haar mobiele telefoon intikken, dat mocht niet van de leraar. Mijn dochter vindt dit belachelijk. Wat moet ik ervan denken?

U bent kennelijk een van die ouders die vinden dat zij hun kinderen moeten beschermen tegen hun leraren en onderwijzers. Foei, u verdient strafwerk. Als een leerkracht zich vergrijpt aan uw dochter, of andere ernstige misdragingen aan de dag legt, hebt u het volste recht in te grijpen, maar onder normale omstandigheden hebt u dat niet. Tenzij er iets onoorbaars aan de orde is, dient u u zonder bedenkingen en principieel achter de leerkracht op te stellen. Die man of vrouw neemt een groot deel van uw taak en verantwoordelijkheid ten aanzien van uw en andermans kroost op zich en het minste is toch wel dat daar enige solidariteit van de kant van de ouders tegenover staat. We hebben het dan nog
niet eens over het desastreuze effect op het kind als leerkracht en ouders het openlijk oneens zijn met elkaar. Dat is een ideale omstandigheid om die partijen in het vervolg tegen elkaar uit te spelen. Stel u eens voor welke situatie dan ontstaat. Als uw Marietje straks meldt dat haar moeder ‘het óók belachelijk’ vindt, dan kan zo’n leerkracht op het dak gaan zitten. In het onderwijs werken is zonder ondoordachte tegenwerking van de ouders al moeilijk genoeg . Dus Marietje hoort gewoon te doen wat de leerkracht zegt, ‘want die zal daar redenen voor hebben’. Dat geeft u het balsturige wicht te verstaan. En daarmee basta.

Uit: NRC Handelsblad, 24-3-2012

donderdag 15 maart 2012

Karl-May-Festival



Morgen vindt ter gelegenheid van het 100e sterfjaar van Karl May in de Koninklijke Bibliotheek in Den Haag een symposium plaats, waar één bladzijde uit de rijke geschiedenis van zijn persoon en werk wellicht onbesproken zal blijven. Om die reden op deze plek aandacht hiervoor.
In 1903 leerde May de beeldhouwer en schilder Sascha Schneider kennen. May vroeg Schneider om illustraties te maken bij zijn reisverhalen. Schneider vertrouwde hem toe dat hij homoseksueel was. May vond dat geen probleem, dus Schneider ging aan de slag. Wat vervolgens ontstond waren de mooiste illustraties, in symbolistische stijl, die ooit bij het werk van Karl May zijn gemaakt en die ook niet meer overtroffen zouden worden. Maar wel met een duidelijk homoerotisch karakter. Het kwam dan ook maar tot één uitgave. Daarna waren de illustraties alleen nog als kunstdrukken in een map verkrijgbaar.
Op de foto is de omslagillustratie bij Am Rio de la Plata, een reisverslag in twee banden (uitgave van 1904) te zien. De afbeelding wordt ook wel "Lichtsieg" of "Fackelträger" genoemd en herinnert in zijn esthetiek aan de openingsscène van de film Olympia. Fest der Völker (1936) van Leni Riefenstahl. Sascha Schneider maakte van dit werk later ook een versie in kleur.
In "Lichtsieg" (om de mooiere titel te gebruiken) heeft "der geknechtete Mensch [...] sich freigekämpft, aus dem Machtbereich des Ungeheuers; das Phantom liegt sterbend am Boden, und hellauf leuchtet die Fackel des Mannes, der sich durchgerungen hat." Het is een 'Gegenstück' van Schneiders tegenwoordig bekendste werk Gefühl der Abhängigkeit uit 1893 (zie afbeelding hieronder):

Datei:Das Gefuehl der Abhaengigkeit 1893.jpg

Schneider baseerde deze tekening waarschijnlijk op een Russisch sprookje dat hij als kind hoorde of las. Maar er is in deze 'Darstellung', zeker met kennis van de inzichten van Freud, oneindig veel meer te zien.
Het wordt tijd om een bezoek te brengen aan de Villa Shatterhand in Radebeul, het huis waar Karl May woonde en waar enkele werken van Sascha Schneider te bezichtigen zijn.

zaterdag 3 maart 2012

Ik wilde plotseling mijn moeder bellen

Ik wilde plotseling mijn moeder bellen
en wist meteen: ze is al jaren dood.
Ik moest haar nog een groot geheim vertellen.

Ik zag de zomerdag ten avond hellen
toen er een lichtbaan langs de hemel schoot:
ik wilde plotseling mijn moeder bellen.

Het zijn de bare leugens niet die kwellen
maar wat verzwegen werd zwelt levensgroot.
Ik moest haar nog een groot geheim vertellen.

Want van je ogen vallen pas de schellen
wanneer je neerzit in het avondrood.
Ik wilde plotseling mijn moeder bellen.

Ik kon er nooit wat tegenoverstellen
wanneer zij thuiskwam met gestolen brood.
Ik moest haar nog een groot geheim vertellen.

Dat ik alleen over het veld kon snellen
en springen over de verboden sloot.
Ik wilde plotseling mijn moeder bellen.
Ik moest haar nog een groot geheim vertellen.

- Martin Veltman

Uit: Negentien villanellen, 1985